
Sofie is klein en dun. Ze heeft muizig haar en grijsblauwe ogen. Ze is zo onopvallend als maar zijn kan. En dan is ze ook nog eens altijd moe. En toch is ze de hoofdpersoon van dit boek.
Dat komt omdat ze van binnen heel groot is. Ze is dapper. Ze waagt haar leven om de paarden van Heimar te helpen. Ze doet verschrikkelijk enge dingen, zoals in pikdonkere grotten rondlopen. Dan neemt ze het ook nog op tegen bloeddorstige dwergen, giftige spinmieren en een valse (en eenzame) slang.
Sofie is geboren met een gat in haar hart. Toen ze een baby was is ze daaraan geopereerd. Die operatie is goed gelukt, maar ze kan nog steeds geen gewoon leven leiden.
Als ze ’s middags gaat paardrijden, kan ze niet ’s ochtends buiten spelen. Gym is meestal te vermoeiend voor haar. En traplopen lukt al helemaal niet. Het is Sofies grootste wens om te kunnen rennen en spelen, net als andere kinderen.
Als ik een boek bedenk, zijn de personages voor mij levende, echte mensen. Ik praat met ze, ik leef met ze mee en ik voel wat zij voelen. Het bedenken, uitwerken en schrijven van dit boek was moeilijk en ontzettend veel werk. Soms dacht ik: het lukt me niet, ik stop ermee.
Maar meteen daarna dacht ik: ik kan Sofie niet in de steek laten! Ik hield van Sofie en ik wilde haar een fantastisch avontuur laten beleven. Ik wist dat ze daarna een ander meisje zou zijn en ik gunde haar dat ze niet meer moe was.
Dus schreef ik door. Voor Sofie. En ook een beetje voor mezelf (zie hieronder).
Over ziek zijn
Dertig jaar geleden kreeg ik een ernstige blessure. Daardoor veranderde ik van een sportieve, sterke, fitte jonge vrouw in iemand die flink beperkt was, veel pijn had en vaak moe was. Bijna alles wat ik leuk vond, kon ik niet meer doen.
Daardoor weet ik hoe het voelt om met je energie te moeten schipperen. Om niet te kunnen doen wat je wilt. Om afhankelijk te zijn van anderen. Ik weet ook hoe snel je je minderwaardig kunt gaan voelen. Je bent altijd degene die de anderen afremt, de zwakke schakel. Iemand waaraan ze zich moeten aanpassen.
‘Jij bent niet je ziekte,’ laat ik een dokter in het boek zeggen. Dat is zeker waar. Je bent veel meer dan dat! Laat je ziekte niet degene zijn die je bent -het is maar een deel van je. Je bent nog steeds een bijzonder, uniek mens.
Wat ik knap vind van Sofie is dat ze niet klaagt of boos is. Ze zou graag willen dat het anders was, maar ze accepteert de situatie zoals hij is. En ze geniet er heel erg van dat ze op Heimar alles kan doen wat ze wil.
Aan het einde van dit boek heb ik haar ‘beter’ gemaakt. Dat was heerlijk!