Wil je iets vragen of vertellen over de boeken, stuur dan een mail naar: info@gertrudjetten.nl

Dit najaar wordt er in Hilvarenbeek, het dorp waar ik woon, een verhalenwedstrijd georganiseerd voor kinderen. Dat is natuurlijk heel erg leuk! De organisatie heeft mij gevraagd of ik ''lessen'' wil geven over het schrijven van een verhaal. Daar was ik meteen helemaal enthousiast over.

De tips voor de kinderen die meedoen staan hieronder, maar ook als je niet meedoet kun je ze gebruiken. Veel succes, en vooral: veel plezier!

PS: Als je niet de hele tekst door wilt lezen, scroll dan naar beneden. Daar staan de belangrijkste punten kort op een rijtje.

En als je de tips wilt afdrukken, klik dan op Afdrukken, rechtsboven op deze bladzijde.

Tien tips om zelf verhalen te schrijven

1. Neem een onderwerp dat je aanspreekt en waar je wat vanaf weet

Als je dol bent op honden, schrijf je over honden, en als je gek bent op hockey, schrijf je over hockey. Je kunt dan makkelijk schrijven, zonder dat je eerst heel veel hoeft op te zoeken over hoe iets in elkaar zit. Ook kun je je beter voorstellen hoe dingen in hun werk gaan of voelen.

Ik zou bijvoorbeeld niet zomaar een boek kunnen schrijven over een jongen die meedoet aan een autorace. Daarvoor zou ik eerst met heel veel mensen moeten praten, erover moeten lezen en zelf in zo’n auto moeten rijden!

2. Verzin een ‘probleem’

Een verhaal moet ergens over gaan, er moet een probleem zijn: anders vind je het als lezer al heel gauw saai!

Een paar problemen:

-je konijn is verdwenen

-je doet die dag mee aan een voetbalwedstrijd maar je hebt de bus gemist

-je hebt ruzie met je beste vriendin

-je opa is ernstig ziek

-je gaat op schoolreisje en bent je zwemspullen vergeten

Denk maar eens aan boeken die je leuk vindt en ga na welk probleem er in dat verhaal moest worden opgelost.

Neem rustig de tijd om een probleem te verzinnen. Hoe leuker het probleem –en de oplossing- hoe interessanter het verhaal wordt!

3. Denk na over de opbouw van je verhaal

Begin niet lukraak te schrijven, maar maak van tevoren een plan. Stel je wilt een verhaal schrijven over je konijn dat verdwenen is. Onder elkaar zet je een aantal belangrijke dingen die gebeuren, zoals:

-de ontdekking dat de kooi leeg is

-paniek! Heb je het hok opengelaten? Heeft iemand hem gestolen voor het kerstdiner?

-zoeken in de tuin

-je verdenkt de vervelende achterbuurman die altijd flauwe grapjes maakt over Flappie

-je klimt over de schutting en zoekt in de tuin

-geen konijn te zien

-het begint flink te regenen en is ijskoud

-je maakt je vreselijke zorgen

-je gluurt naar binnen, niemand te zien

-je zoekt verder

-uiteindelijk vind je je konijn in de bijkeuken, in een stapel wasgoed waar hij een lekker holletje gemaakt heeft.

Houd tijdens het schrijven goed in gedachten waar je bent en waar het verhaal naar toegaat. Ik leg altijd een papier met daarop de grote lijnen (dus het schema dat hierboven staat) naast me als ik aan het schrijven ben.

4. Zorg dat er een begin en een einde aan zit

Misschien ken je de uitdrukking een goed begin is het halve werk. Dat geldt voor heel veel dingen, en zeker voor het schrijven van verhalen. Je lezer moet vanaf het begin geboeid zijn. Hij moet willen weten hoe het afloopt!

Denk bijvoorbeeld aan de volgende openingszin: Op de dag voor Kerst verdween mijn konijn Elisabeth.

Dan wil je meteen weten hoe het verder gaat…

Ik heb weleens gelezen dat je binnen de eerste zinnen van een (kinder)boek moet weten waar het verhaal over gaat. Dat klopt! Maak dus meteen duidelijk wat het probleem is. Schrijf niet eerst een heel verhaal over iets anders, maar kom direct ter zake.

Vervolgens moet er ook een duidelijk einde aan het verhaal zitten. Dat hoeft niet perse een goed einde te zijn. Het verhaal over het konijn dat hierboven staat, zou ook slecht af kunnen lopen: Elisabeth is bij de achterbuurman in de pan beland. Maakt niet uit, zolang het verhaal maar niet ergens middenin stopt!

O, en tenslotte: een mooie openingszin kun je ook bedenken als het verhaal halverwege is, of zelfs als je klaar bent. Laat het ontbreken van een superzin je niet weerhouden om het verhaal op te schrijven!

5. Verzin leuke personages

Personages zijn de hoofdpersonen uit het boek. Dat kunnen volwassenen zijn, kinderen, dieren of zelfs auto’s, of mandarijnen. Maakt niet uit, zolang ze de lezer maar aanspreken!

Je hoofdpersoon moet iemand zijn die de lezer sympathiek vindt. Dat betekent niet dat hij/zij perfect moet zijn, maar je moet erbij betrokken zijn. Leuke hoofdpersonen zijn bijvoorbeeld Koen Kampioen of Floortje. Of de jongens van de Kameleon natuurlijk!

Denk eraan dat je niet teveel personages in een (kort) verhaal stopt, anders wordt het te ingewikkeld. Vier is echt het maximum.

6. Schrijf je hele verhaal in dezelfde tijd

Dus niet: Ik kom bij de kooi en zag dat Flappie weg was. Mijn hart gaat als een razende te keer en mijn handen begonnen te trillen. Er zat een brok in mijn keel. Mamma! Roep ik.

In dat stukje lopen tegenwoordige en verleden tijd voortdurend door elkaar. Dat klopt niet en leest niet lekker.

7. Zorg dat je afwisselend schrijft en kies je woorden met zorg

Als elke zin hetzelfde is, maakt dat je tekst slecht leesbaar. Een verhaal moet lekker lezen, anders stop je. Maar hoe bereik je dat?

Het belangrijkste daarvoor is afwisseling. Afwisseling in de lengte en opbouw van de zinnen, en afwisseling in de woorden die je gebruikt.

Vergelijk de onderstaande stukjes maar eens met elkaar!

1. Ik loop naar de keuken en fluit. Ik pak een wortel. Ik zie dat de deur open staat. Ik ga naar buiten. Ik zie dat het hok leeg is. Ik vraag me af waar mijn konijn is.

2. Fluitend loop ik naar de keuken en pak een wortel. Hé wat raar, de deur staat open! Ik ga snel naar buiten en schrik me te pletter: het hok is leeg! Waar is Elisabeth gebleven?

Het tweede stukje is ook leuker omdat er veel meer emotie in zit. De hoofdpersoon laat de lezer delen in wat hij voelt.

Ook belangrijk is je taalgebruik. Denk na over het woord dat het beste weergeeft wat je wilt zeggen. Als je ontdekt dat je konijn ontsnapt is, kun je geschrokken, verbaasd, boos, verbijsterd of in paniek zijn. Elk woord heeft net een andere betekenis.

Moeilijke woorden maken een tekst lastig leesbaar. Houd het dus eenvoudig!

8. Als het verhaal af is, neem je pauze

Je legt het een paar dagen weg, en leest het daarna kritisch door. Het schrijven van het verhaal is de eerste stap, maar schrappen en bijwerken de volgende!

Als je het verhaal net hebt geschreven, zit je er helemaal in. Je vindt het geweldig en snapt alles.

Als je het na en paar dagen opnieuw gaat lezen, zie je opeens dingen die onduidelijk zijn. Of je ontdekt dat die zin die zo leuk leek, dat helemaal niet is. Of er moet nog een stukje bij. Of af! Een groot deel van het schrijven, bestaat uit herschrijven.

Let bij het herschrijven op de indeling van de zinnen. Elk onderwerpje vormt een groepje, een alinea. Let erop dat je indeling logisch is. Ook kun je door die indeling de inhoud benadrukken. Kijk maar hieronder:

Op de dag voor Kerst verdween mijn konijn Elisabeth. Ik schrok me te pletter! Meteen rende ik naar binnen en riep mijn moeder. ‘Kom gauw mam, Elisabeth is weg!’ Mijn moeder stormde de trap af. Geschrokken keek ze me aan.

Op de dag voor Kerst verdween mijn konijn Elisabeth.
Ik schrok me te pletter!
Meteen rende ik naar binnen en riep mijn moeder. ‘Kom gauw mam, Elisabeth is weg!’ Mijn moeder stormde de trap af. Geschrokken keek ze me aan.

Als je het nog niet gedaan hebt, verzin je een leuke titel. De titel moet iets zeggen over de inhoud en de lezer nieuwsgierig maken.

9. Laat je verhaal door iemand anders lezen

Als je er zelf tevreden over bent, laat je het door iemand anders lezen. Dat kan een vriend of vriendin zijn, maar ook je ouders of je opa en oma. Probeer rustig te luisteren naar wat ze zeggen en laat het op je in werken. Het is niet eenvoudig om kritiek te krijgen, daar weet ik alles van!

Als ik een boek af heb, lezen ze het bij Kluitman goed door en geven dan commentaar. De eerste boeken van De Zonnehoeve moest ik wel drie keer opnieuw schrijven. En nee, dat was niet leuk. Maar het verhaal werd er wel heel veel beter van.

Bedenk dat het niet om jou gaat, maar om je verhaal. Dat helpt.

10. Laat je verhaal controleren op spel- en taalfouten

Ook bekende schrijvers maken spel- en taalfouten. Dat geeft niks.
Maar die fouten maken je verhaal slecht leesbaar, en dat is niet de bedoeling. Laat het dus door iemand nakijken voordat je het inlevert!

In het kort:

1.Neem een onderwerp dat je aanspreekt en waar je veel vanaf weet.
2.Verzin een ''probleem''.
3.Denk na over de opbouw van je verhaal.
4. Zorg dat er een begin en een einde aan zit.
5.Verzin leuke personages.
6.Schrijf je hele verhaal in dezelfde tijd.
7.Zorg dat je afwisselend schrijft en kies je woorden met zorg.
8.Als het verhaal af is, neem je pauze.
9.Laat het verhaal door iemand anders lezen.
10.Laat je verhaal controleren op spel- en taalfouten.